Geneesmiddelen

Antistollingsmiddelen: op zoek naar een evenwicht

Wanneer moet ik antistollingsmiddelen gebruiken?

Antistollingsmiddelen of anticoagulantia zijn de basis van de behandeling van diepe veneuze trombose (DVT). Als er bij verhoogde stollingsneiging een klonter ontstaat, moet er meteen tegengas worden gegeven en moet het bloed vloeibaarder worden gemaakt. Dat is de rol van antistollingsmiddelen.

Bij een verhoogd risico op diepe veneuze trombose (na een orthopedische operatie bijvoorbeeld) wordt om dezelfde reden ook vaak preventief een antistollingsmiddel gegeven.

Toch mogen we ook niet in het andere uiterste vervallen en het bloed te ‘vloeibaar’ maken. Bij verwondingen wordt het risico op bloedingen anders te groot. Het grootste probleem in de behandeling met antistollingsmiddelen is net om het juiste evenwicht tussen beide te vinden.

Hoelang duurt een behandeling met antistollingsmiddelen?

De behandelingsduur van een diepe veneuze trombose wordt bepaald door de ernst van de trombose, en door het evenwicht tussen het risico op terugval en het risico op bloedingen.

  • Bij distale diepe veneuze trombose moet de medicatie meestal zes weken tot drie maanden worden genomen.
  • Bij proximale diepe veneuze trombose schommelt de behandeling tussen drie en zes maanden, soms zelfs meer. Alles hangt ervan af of de risicofactor(en) tijdelijk of chronisch is/zijn.
  • Bij een terugkerende diepe veneuze trombose of als er een of meerdere permanente risicofactoren aanwezig zijn, kan de behandeling met antistollingsmiddelen meerdere jaren duren.

Geschreven door Candice Leblanc Het volgende artikel lezen

Reclame
Om medisch nieuws te volgen, abonneer u op de MediPedia nieuwsbrief.
Veneuze trombose - Behandeling - Antistollingsmiddelen: op zoek naar een evenwicht
Reclame