Begrijpen

Klonter en trombose

Wat is een trombose?

Een trombose is de vorming van een bloedklonter – dokters spreken van trombus – in een bloedvat (ader of slagader). We spreken van een diepe veneuze trombose van de onderste ledematen (DVT, beentrombose) als de trombus in een diepe ader ontstaat.

De klonter bestaat vooral uit bloedplaatjes, dat zijn cellen die een belangrijke rol spelen bij de bloedstolling, en uit fibrine, een eiwit dat de bloedplaatjes verstevigt.

Er kunnen ook meerdere klonters in hetzelfde been ontstaan. Al komt dat zelden voor.

Bloed, stolling en genezing

Bij een letsel van een lichaamsweefsel – bijvoorbeeld een snee in de vinger – komt een kettingreactie van processen op gang om de bloeding te stoppen en het genezingsproces op gang te brengen. Daarvoor moeten de bloedcellen – namelijk de bloedplaatjes – kunnen stollen, of samenkleven, zoals bakstenen in een muur. De bloedstolling is dan vergelijkbaar met het cement.

De stollingscascade is een uiterst complex fenomeen waarbij een groot aantal eiwitten – de zogenaamde ‘stollingsfactoren’ – betrokken zijn. Sommige daarvan worden uitsluitend geproduceerd door stoffen, zoals vitamine K (waarbij de ‘K’ verwijst naar de ‘coagulatie’ of het stollen van het bloed). Dankzij een kettingreactie maakt het lichaam fibrine aan en stolt het bloed. De bloeding stopt en het beschadigde weefsel vernieuwt zich.

Soorten diepe veneuze trombose

We onderscheiden twee soorten diepe veneuze trombose (DVT), afhankelijk van de plaats in de ader waar de trombus zich vormt:

  • distale veneuze trombose doet zich voor in de kuitader. In zeldzame gevallen kan ze een complicatie van longembolie met zich meebrengen.
  • proximale veneuze trombose doet zich voor in de knieholte (knieholteader) of daarboven, in de dij (femorale ader) of in de lies (darmbeenader).

Geschreven door Candice Leblanc volgend hoofdstuk lezen

Reclame
Om medisch nieuws te volgen, abonneer u op de MediPedia nieuwsbrief.
Klonter en trombose
Reclame