Schildklierkanker

Na de behandeling

Opvolging en vervolgonderzoeken

Opvolging op maat

Vroegtijdige opvolging is een essentieel onderdeel van de behandeling van schildklierkanker. Daardoor kan men de gezondheidstoestand van de patiënt controleren, de eventuele bijwerkingen van de behandeling beheersen en zo vroeg mogelijk een eventueel recidief opsporen. De follow-up is afgestemd op de patiënt en hangt af van zijn eigen situatie. Naast de opvolging van de substitutietherapie gebeurt het eerste controle-onderzoek gewoonlijk 6 tot 12 maanden na afloop van de behandeling, om vast te stellen of ze doeltreffend is. Als de resultaten niet wijzen op de aanwezigheid van kanker of functioneel schildklierweefsel is er sprake van remissie. Er wordt dan jaarlijks een balans opgemaakt. Na 5 jaar zonder recidief, spreekt men van genezing.

Als de onderzoeken niet wijzen op remissie moet men een nieuwe, individuele therapeutische benadering voorstellen. Dat gebeurt bij 10 à 15% van de patiënten, de verschillende risico’s samen.

Vervolgonderzoeken

  • Bepaling van het thyreoglobulinegehalte

Naast het palperen van de hals voert de arts tijdens het vervolgonderzoek een bepaling van het thyreoglobulinegehalte uit. Thyreoglobuline (Tg) is een specifieke tumormerker van het normale of cancereuze schildklierweefsel. Dit eiwit wordt uitsluitend geproduceerd door de schildkliercellen. Na de verwijdering van de schildklier en een behandeling met radioactief jodium mag men bijgevolg geen thyreoglobuline meer kunnen opsporen als er in het lichaam geen resterend schildklierweefsel of tumorhaard aanwezig is. De aanwezigheid of de terugkeer van het eiwit in het bloed kan erop wijzen dat de kanker terug is. De thyreoglobulinebepaling gebeurt door een eenvoudige bloedafname, die voorafgegaan wordt door injecties met recombinant humaan TSH (rhTHS-test). Op die manier kan men nagaan of er al dan niet antithyreoglobuline antistoffen aanwezig zijn (het lichaam maakt die alleen aan als er thyreoglobuline aanwezig is).

Die gestimuleerde thyreoglobulinebepaling wordt eventueel aangevuld door een diagnostische scintigrafie met jodium 131 (met een zeer lage dosis radio-isotoop, die geen hospitalisatie vereist).

  • Bepaling van schildklierhormonen

De bepaling van de schildklierhormonen – thyroxine (T4) en trijoodthyronine (T3) – gebeurt door een eenvoudige bloedafname. Daardoor kan men nagaan of het gehalte hoog genoeg is voor een normale werking van het organisme. Afhankelijk van de resultaten kan de arts de dosering aanpassen volgens de noden van de patiënt. Tegelijk controleert men of de TSH-waarde laag genoeg blijft om de groei van potentieel cancereuze schildkliercellen te voorkomen.

  • Echografie van de hals

Dankzij dit onderzoek, dat gewoonlijk wordt uitgevoerd 3 tot 6 maanden na het einde van de behandeling, kan men nagaan of er schildklierweefsel aanwezig is in het schildklierbed, dat is de plek waar de schildklier werd weggenomen, en daarnaast ook in de lymfeklieren in de hals.

De opvolging van kanker met hoge risicofactor

Bij personen met een hoog risico op recidief hangt de opvolging af van de persoonlijke situatie van de patiënt. Naast de gebruikelijke metingen (thyreoglobuline, schildklierhormonen, TSH …) en de echografie van de hals kan men ook een CET-scan van hals en borstholte uitvoeren, evenals een PET-scan (beeldvormend medisch onderzoek waarbij een licht radioactieve stof in het lichaam wordt ingespoten om kankergezwellen of uitzaaiingen op te sporen). In de meeste ziekenhuizen bespreekt een multidisciplinair oncologisch team het dossier van de patiënt om een zo groot mogelijke expertise bijeen te brengen.

Reclame
Om medisch nieuws te volgen, abonneer u op de MediPedia nieuwsbrief.
Surveillance et examens de suivi | Opvolging en vervolgonderzoeken
Reclame