Nieuws

Jodiumhoudende contraststoffen: toxisch voor "risiconieren"

Jodiumhoudende contraststoffen worden zeer vaak gebruikt in de diagnostische en interventionele radiologie, en kunnen zeer toxisch zijn voor de nieren. Wat zijn de risico's? Zijn er voorzorgsmaatregelen mogelijk? Dr. Frédéric Debelle, adjunct-kliniekhoofd van de dienst nefrologie van het Erasmusziekenhuis, geeft tekst en uitleg.

Reclame

Voor welk soort onderzoeken worden jodiumhoudende contraststoffen gebruikt?

Jodiumhoudende contraststoffen zijn noodzakelijk voor een reeks diagnostische radiologische onderzoeken (scanners, bloedvatenonderzoek enz.). Ze kunnen immers mogelijk te genezen letsels opsporen die anders nooit ontdekt hadden kunnen worden. Zo wordt een vernauwing van de hartslagaders, die angina pectoris en hartinfarcten veroorzaakt, opgespoord door jodiumhoudende contrastproducten in te spuiten in de kransslagaders. Bovendien kan de cardioloog deze slagader eventueel doen uitzetten via een ballondilatatie (zogenaamde interventionele radiologie), om op die manier de patiënt een zwaardere operatie te besparen.

Welke risico's houden zulke injecties in voor de nieren?

Allergische reacties op jodiumhoudende contraststoffen zijn goed bekend bij het grote publiek, hun toxische effecten op de nieren zijn dat veel minder! Gebruik van jodiumhoudende contraststoffen in de ziekenhuiswereld wordt beschouwd als derde oorzaak van de abrupte verslechtering van de nierfunctie (acute nierinsufficiëntie genoemd). Bij de meeste patiënten normaliseert de nierfunctie zich binnen tien à vijftien dagen. Slechts 5 à 10 % houdt er blijvende letsels aan over. Bij een zeer laag percentage patiënten (waarvan de meeste van bij het begin tal van risicofactoren vertonen) veroorzaakt een injectie met een jodiumhoudende contraststof terminale nierinsufficiëntie waarbij dialyse vereist is.

Niet iedereen loopt dus evenveel risico's als het om jodiumhoudende contraststoffen gaat.

Inderdaad. De terminale fase van de ziekte treedt na een injectie met zo'n stof meestal alleen op bij patiënten die al vergevorderde nierinsufficiëntie hebben. Het is daarbij belangrijk om te benadrukken dat alleen risicopersonen kunnen reageren op de toxiciteit van jodiumhoudende contrastproducten. Patiënten die al nierinsufficiëntie hebben, 70-plussers en patiënten met diabetes, hoge bloeddruk, bloedarmoede of hartinsufficiëntie lopen tot 50 % kans om nefropathie (nierlijden) te ontwikkelen na toediening van jodiumhoudende contraststoffen. Bij jonge patiënten daarentegen zonder enige risicofactor is die kans zo goed als nul.

Bestaat er een behandeling tegen de mogelijke toxiciteit van jodiumhoudende contraststoffen?

Ja, maar die is uitsluitend gebaseerd op preventie. In een eerste fase is het essentieel om goed de risicopatiënten op te sporen. Bij twijfel wordt er een bloedanalyse uitgevoerd, om de nierfunctie te meten. Gaat het om een risicopatiënt, dan moet de arts nagaan of het onderzoek wel zinvol is en of er geen alternatief bestaat. Toch is het niet altijd mogelijk om injecties met jodiumhoudende contraststoffen te vermijden, zeker niet als er levensgevaar is voor de patiënt. Orale of intraveneuze hydratatie, zowel voor als na de ingreep, is in dat geval de eerste nodige voorzorgsmaatregel. Soms krijgt de patiënt ook N-acetylcysteïne voorgeschreven (een antioxidant), al is de doeltreffendheid van dit geneesmiddel nog omstreden. Daarnaast moet altijd de laagst mogelijke dosis jodiumhoudende contraststof toegediend worden. Zo mogelijk stoppen met geneesmiddelen die toxisch zijn voor de nieren (in het bijzonder niet-steroïdale ontstekingsremmers (NSAID's)), is de laatste te nemen maatregel. Als al die voorzorgen eenmaal getroffen zijn, moet de nierwerking twee à drie dagen na de injectie met de contraststof opnieuw geëvalueerd worden. Worden er afwijkingen vastgesteld, dan kan de nefroloog starten met een aangepaste behandeling.

Interview: Aurélie Bastin

Reclame
In Video's