News

Een klein ABC om uw onderzoeksresultaten te ontcijferen

Nierinsufficiënten moeten regelmatig een bloed- en urineonderzoek laten uitvoeren. Maar waarvoor dienen die tests eigenlijk en wat meten ze precies? Ziehier enige toelichting bij de meest gebruikte termen.

Reclame

Als de nieren het bloed niet langer correct filteren, nemen de afvalstoffen in bloed en urine toe. Nierinsufficiëntie wordt dan ook vaak opgespoord bij een routinebloedonderzoek en wordt gecontroleerd op basis van biologische onderzoeken, met name bloed- en urinetests.

Welke onderzoeken en wanneer?

Hoe vaak die onderzoeken moeten gebeuren, hangt af van de ziekte in kwestie (polykystose, diabetische nefropathie, …), maar ook van de ernst van de nierinsufficiëntie. Bovendien verschillen de noodzakelijke onderzoeken naargelang de nieraandoening, al zijn er bij nierinsufficiëntie wel een aantal gemeenschappelijke onderzoeken.

  • Meting van het ureumgehalte in het bloed

Ureum is een afbraakproduct van eiwitten in het bloed. Het ureumgehalte ligt normaal gezien lager dan 5 milligram per deciliter bloed. Bij nierinsufficiëntie neemt de concentratie echter toe. Aangezien het ureumgehalte sterk beïnvloed wordt door voeding en vochtinname, is het een minder betrouwbare marker dan het creatininegehalte in het bloed en de creatinineklaring.

  • Meting van het creatininegehalte en de creatinineklaring

Creatinine is het normale afbraakproduct van creatine (een bestanddeel van de spieren) in het bloed. Het gemiddelde creatininegehalte in het bloed schommelt van 0,8 tot 1,3 mg/dl bij mannen en van 0,6 tot 1,2 mg/dl bij vrouwen. De creatinineklaring komt overeen met de hoeveelheid bloed die de nieren in één minuut zuiveren uit die substantie. De normale waarden bedragen bij mannen en vrouwen respectievelijk tussen 97 en 137 ml/min. en tussen 88 en 128 ml/min.

  • Meting van de urine-eiwitten (proteïnurie)

Het eiwit dat bij nierinsufficiëntie het vaakst terug te vinden is in de urine, is albumine (we spreken dan van albuminurie). Normaal gezien bevat de urine bijna geen eiwitten, zo niet wijst dit meestal op een verstoring van de glomeruli (nierfilters). Het is belangrijk om het albuminegehalte te meten, want een antiproteïnuriebehandeling kan tot gevolg hebben dat de patiënt pas veel later in dialyse moet.

  • Meting van het bloed in de urine (hematurie)

Hematurie (microscopische aanwezigheid van rode bloedcellen in de urine) kan wijzen op nierinsufficiëntie. Toch is de vorm van de rode bloedcellen hiervoor een betere indicator, omdat ze een beeld geeft van de onderliggende aandoening.

Welke voorzorgen moet u nemen?

In het algemeen is het aan te raden om nuchter te zijn voor bloedanalyses om nierinsufficiëntie op te sporen of te controleren. Urineonderzoeken gebeuren bij voorkeur met de tweede urine van de dag ('s ochtends, zonder te hebben gedronken, maar nadat de patiënt al eens thuis heeft geplast). De urine is dan immers sterker geconcentreerd en geeft dus een beter beeld. Soms is het ook nodig om de 24-uursurine te verzamelen, om nauwkeurig de creatinineklaring te berekenen en na te gaan of er eiwitten in de urine zitten. In dat geval moet de patiënt alle urine van de dag opvangen in dezelfde recipiënt en ze bewaren in de koelkast en buiten het licht (in een ondoorzichtige doos of een recipiënt die omwikkeld is met aluminiumfolie bijvoorbeeld).

Marion Garteiser

Reclame
In Video's