backtotop

Hoe wordt de diagnose van milde cognitieve stoornis (MCI) gesteld?

Milde cognitieve stoornis – MCI - Diagnose - Subtypes van milde cognitieve stoornis (MCI)

Subtypes van milde cognitieve stoornis (MCI)

Amnestische MCI: geheugenproblemen

Amnestische MCI (60-85% van de gevallen) wordt gekenmerkt door geheugenproblemen. Het episodisch geheugen (bijvoorbeeld een recente telefoonconversatie vergeten) wordt als eerste aangetast. Een aantasting van het prospectief geheugen (bijvoorbeeld een afspraak vergeten) is een ander belangrijk eerste teken van de achteruitgang van het geheugen bij amnestische MCI. Ook een of meer andere cognitieve functies kunnen aangetast zijn. In dat geval spreekt men over multiple-domain amnestische MCI.
Het is de amnestische vorm die het meeste kans maakt om te evolueren naar de ziekte van Alzheimer. Daarom wordt MCI ook wel als een overgangsfase beschouwd tussen normale ouderdomsvergeetachtigheid en dementie. Het percentage MCI-patiënten dat effectief evolueert naar de ziekte van Alzheimer is echter niet duidelijk gedefinieerd. Verschillende studies leveren uiteenlopende resultaten op, gaande van 4,8% per jaar tot ruim 21%. Deze grote variatie is waarschijnlijk grotendeels te wijten aan de verschillende definities van MCI-patiënten die in de verschillende studies werden gebruikt.

Niet-amnestische MCI: geen geheugenproblemen

Niet-amnestische MCI (goed voor 3-30% van de gevallen) kenmerkt zich door een stoornis in een (single niet-amnestische MCI) of meer (multiple-domain niet-amnestische MCI) niet-geheugengebonden cognitieve domeinen, zoals uitvoerende functies of de snelheid van informatieverwerking. Het geheugen blijft intact. De niet-amnestische vorm kan een voorloper zijn van andere vormen van dementie, zoals bijvoorbeeld Lewy-body-dementie en vasculaire dementie.

Reclame
Milde cognitieve stoornis – MCI - Diagnose - Subtypes van milde cognitieve stoornis (MCI)

MCI en de ziekte van Alzheimer: welke verschillen?

Milde cognitieve stoornis wordt wel eens verward met de symptomen van dementie, zoals die aanwezig zijn bij de ziekte van Alzheimer. Zowel MCI als dementie kunnen inderdaad gecategoriseerd worden als neurocognitieve stoornissen, maar het zijn verschillende aandoeningen.
Een belangrijk kenmerk van MCI is dat de problemen de dagelijkse zelfstandigheid niet aantasten. Is dat wel het geval, dan kan er sprake zijn van dementie.
Dementie is geen specifieke ziekte. Eerder is het een benaming voor een verzameling van symptomen die het dagelijks functioneren aantasten. Er is meestal sprake van geheugenstoornissen (amnesie), maar daarnaast bestrijken de cognitieve disfuncties nog andere domeinen, die zich kunnen uiten door:

  • taalstoornissen
  • oriëntatiestoornissen
  • stoornissen in de uitvoerende functies, met name de functies die noodzakelijk zijn om meerdere, verschillende taken te kunnen uitvoeren (zoals koken)
  • waarnemingsstoornissen (het onvermogen om zaken te herkennen die via de zintuigen worden waargenomen)
  • problemen met complexe handelingen (jas dichtknopen bijvoorbeeld)
  • stoornissen in de aandachtsfunctie
  • stoornissen in de sociale cognitie (probleem bij het verwerken van informatie over de sociale omgeving)

Bij dementie gaan de cognitieve en functionele disfuncties (dus niet meer voor zichzelf kunnen zorgen) bovendien vaak samen met gedragsstoornissen (apathie, agressie…) en psychiatrische stoornissen (depressie, hallucinaties, angst, …). De ziekte van Alzheimer is veruit de meest voorkomende oorzaak van dementie.

Milde cognitieve stoornis – MCI - Diagnose - MCI en de ziekte van Alzheimer: welke verschillen?
Reclame

Het medisch-psychiatrisch onderzoek om de diagnose van MCI te stellen

Anamnese of diagnostisch gesprek

In eerste instantie voert de behandeld arts een diagnostisch gesprek (anamnese) met de patiënt:

  • Wanneer en hoe zijn de problemen begonnen?
  • Hoe functioneert het geheugen (vergeten van afspraken, recente gesprekken of gebeurtenissen, vaak dingen kwijt zijn…)?
  • Hebben de problemen een invloed op het dagdagelijks functioneren?
  • Is er sprake van een belangrijke verandering ten opzichte van vroeger?
  • Doen er zich nog andere cognitieve stoornissen voor, zoals problemen met op woorden komen (afasie), gebruik van voorwerpen (apraxie), herkennen (agnosie) of plannen/organiseren en ingewikkeldere handelingen, zoals financiën, medicatie of boodschappen doen (uitvoerende functies)?
  • Kan de achteruitgang mogelijk door een andere factor veroorzaakt worden (alcohol- en geneesmiddelengebruik, depressie of andere psychiatrische aandoening…)?
  • Hoe gaat de patiënt om met de problematiek? (coping)
  • Enzovoort.

Lichamelijk onderzoek om de oorzaak van MCI te achterhalen

Vervolgens voert de arts een lichamelijk onderzoek uit. Een grondig lichamelijk onderzoek kan een duidelijke richting geven in de zoektocht of de cognitieve achteruitgang al dan niet veroorzaakt wordt door een lichamelijke aandoening.
Daarnaast doet de arts enkele testen om na te gaan hoe goed het brein en zenuwstelsel werken. Dergelijke testen kunnen eventueel neurologische tekenen aantonen van de ziekte van Parkinson, beroerte, tumoren of andere medische aandoeningen die het functioneren van het geheugen kunnen beïnvloeden. Onder andere het looppatroon, de reflexen en oogbewegingen worden getest.

Milde cognitieve stoornis – MCI - Diagnose - Het medisch-psychiatrisch onderzoek om de diagnose van MCI te stellen

Het neuropsychologisch onderzoek om MCI op te sporten

De diagnose van een milde cognitieve stoornis (MCI) berust op het bestaan van een milde cognitieve achteruitgang. Er zijn geen tekenen van dementie en van eender welke andere ziekte die het intellectueel functioneren zouden kunnen verstoren.
De screening begint met een basistest die verschillende cognitieve functies meet, de Mini Mental State Examination (MMSE). De patiënt krijgt verschillende vragen over oriëntatie in tijd en ruimte, moet aangeboden informatie onmiddellijk en na enige tijd oproepen…
Het resultaat van de MMSE toont in het algemeen weinig verandering aan bij MCI. Dit onderzoek kan vervolgens aangevuld worden door uitgebreide tests van de cognitieve functies door een gespecialiseerde psycholoog, de neuropsycholoog genaamd. Deze nemen meestal 1 tot 3 uur in beslag en worden afgenomen in één of twee sessies.
Er bestaat noch een biologisch nog een radiologisch onderzoek dat de diagnose ‘milde cognitieve stoornis’ kan bevestigen.

Milde cognitieve stoornis – MCI - Diagnose - Het neuropsychologisch onderzoek om MCI op te sporten

Aanvullende onderzoeken bij milde cognitieve stoornis

Laboratoriumonderzoek

Het laboratoriumonderzoek bestaat uit een bloedafname, met bijzondere aandacht voor stoffen in het bloed die het mentaal functioneren kunnen beïnvloeden. Met behulp van dit onderzoek kunnen bepaalde aandoeningen uitgesloten worden zoals bijvoorbeeld een afwijking van de schildklier, vitamine B12-tekort enzovoort.

Beeldvorming van de hersenen

De arts kan een MRI- of CT-scan laten doen om tekenen op te sporen van een tumor, vasculaire schade, hydrocefalus… allen oorzaken die de functies van de hersenen kunnen beïnvloeden. Daarnaast kan een MRI-scan atrofie aan het licht brengen van een zone in de hersenen verbonden met het geheugen, de hippocampus. Atrofie van de hippocampus wordt vaak geassocieerd met een ziekte van Alzheimer.

Milde cognitieve stoornis – MCI - Diagnose - Aanvullende onderzoeken bij milde cognitieve stoornis

Geschreven door Emily NazionaleLire la suite: Milde cognitieve stoornis (MCI): impact op het dagelijks leven

Om medisch nieuws te volgen, abonneer u op de MediPedia nieuwsbrief.