Zooms
Verlegenheid gelinkt aan sociale fobie

Verlegenheid gelinkt aan sociale fobie

Peuters en kleuters bij wie de ouders tekenen van chronische verlegenheid herkennen, lopen later meer kans om een sociale angststoornis te ontwikkelen.

Reclame

Verlegen kinderen ontwikkelen later vaker een sociale angststoornisgekenmerkt door onzekerheid of angst in alledaagse, sociale situaties, gecombineerd met vermijdingsgedrag. Dat verband tussen een continu patroon van verlegenheid tijdens de vroege kindertijd, en het opduiken van een sociale angststoornis tijdens de adolescentie (doorgaans tussen de 14 en 16 jaar) is door een Amerikaanse studie bevestigd.

Mate van verlegenheid

In het onderzoek werden jonge kinderen gevolgd tussen 14 maanden en 7 jaar oud. Aan hun moeders werd gevraagd op 4 momenten in het jonge leven van hun kind - bij 14 maanden, 24 maanden, 4 jaar en 7 jaar - de mate van verlegenheid te evalueren. De jonge kinderen werden ook samen met hun moeder door de onderzoekers uitgenodigd om een aantal tests op sociale interactie te komen doen.
Wat bleek? De jonge adolescenten die in hun vroege kindertijd op alle vier de controlepunten hoog scoorden wat betreft gedragsremmingen en verlegenheid, kregen (bijna) 4 keer vaker te maken met een sociale angststoornis dan de andere jongvolwassenen.

Chronische verlegenheid

Naar schatting 15 tot 20 % van de jonge kinderen vertonen tekenen van gedragsremmingen: isolatiegedrag, opkroppen van emoties,... Maar niet iedereen ontwikkelt later een sociale angststoornis. Belangrijke voorwaarde is dat het om een continue vorm van verlegenheid gaat: een peuter van twee kan kernmerken van remmingsgedrag vertonen, vier jaar later is hij misschien de luidste van de klas. Een occasionele periode van verlegenheid geeft geen verhoogd risico op latere angststoornissen.

Reclame