Diagnose
- 1. Hoe wordt de diagnose gesteld?
- 2. Plasdagboek
- 3. Klinisch bekkenbodemonderzoek
- 4. Aanvullende onderzoeken

Hoe wordt de diagnose gesteld?
Typische symptomen
De voorgeschiedenis van de patiënt en het medisch onderzoek volstaan meestal om de diagnose van een overactieve blaas te stellen. De typische symptomen van dit soort problemen zijn:
- vaak moeten plassen;
- hevige plasdrang met of zonder urineverlies;
- 's nachts moeten plassen.
De voorgeschiedenis van de patiënt
Voor een overactieve blaas bestaan er een aantal risicofactoren:
- sommige traumatische bevallingen veroorzaken zenuwuitrekkingen;
- diabetes (suikerziekte);
- bepaalde geneesmiddelen (tricyclische antidepressiva bijvoorbeeld),
- overmatig gebruik van frisdrank of cafeïne;
- een vergrote prostaat bij mannen;
- bepaalde chirurgische ingrepen zoals het verwijderen van de baarmoeder;
- sommige neurologische aandoeningen: ziekte van Parkinson, multiple sclerose, dementie, psychiatrische aandoening, depressie.
Plasdagboek
Evaluatie van het plasprobleem
Een plasdagboek is heel nuttig. Als de arts precies weet hoe vaak en wanneer de patiënt moet plassen, kan hij de ernst van het plasprobleem beter inschatten. Hij kan ook beter nagaan of de behandeling haar doel bereikt. In dit dagboek kunt u onder meer noteren wanneer en hoeveel u gedronken hebt, hoe laat u bent gaan plassen, de hoeveelheid geproduceerde urine en de reden waarom u bent gaan plassen. Deze eerste evaluatie is zeer belangrijk. Een plasdagboek maakt het mogelijk:
- te weten te komen hoe vaak u per dag gaat plassen. Iemand met een overactieve blaas gaat soms elk uur plassen, soms nog vaker.
- te evalueren of u tijdens de dag te weinig of integendeel te veel gedronken heeft.
- te begrijpen of u naar het toilet gaat omdat het dringend is of om een andere reden.
- de in de loop van de behandeling geboekte vooruitgang te volgen door de verschillende dagboeken te vergelijken.
Hoe dit plasdagboek invullen?
U vult dit plasdagboek drie dagen nauwgezet in.
- Schrijf voor elke dag de datum en het uur van opstaan en slapengaan op.
- Noteer telkens het tijdstip waarop u drinkt, plast of urineverlies heeft.
- Noteer iedere keer dat u drinkt, hoeveel u gedronken heeft (een grote kop of een groot glas is ongeveer 200 ml).
- Vermeld iedere keer dat u gaat plassen waarom u op dat ogenblik bent gaan plassen. Meet de hoeveelheid urine van uw plas met een maatbeker met milliliteraanduiding.
Klinisch bekkenbodemonderzoek
Dit onderzoek test de bekkenbodemspieren. Daarbij plaatst de arts twee vingers in de vagina of één vinger in de anus, en vraagt hij aan de patiënt om de bekkenbodemspieren samen te trekken rond zijn vingers.
Dit eenvoudige onderzoek evalueert de spanning van de spieren. De arts kan ook nagaan of er al dan niet sprake is van een neurologische aandoening.
Aanvullende onderzoeken
Zijn er aanvullende onderzoeken nodig?
In bepaalde gevallen kunnen aanvullende onderzoeken factoren opsporen die een overactieve blaas bevorderen. Of ze kunnen bevestigen dat de incontinentie wel degelijk samenhangt met een overactieve blaas en niet met een andere oorzaak van incontinentie, bijvoorbeeld als gevolg van een inspanning.
Een bacteriologisch onderzoek
Een urinestaal wordt onderzocht op de aanwezigheid van een urine-infectie. Dit onderzoek wordt systematisch uitgevoerd, ook als er geen sprake is van een branderig gevoel bij het plassen.
Een echografie van de urinewegen
Een echografie van nieren, urinewegen en blaas laat zien of een eventuele overdruk in de blaas een weerslag heeft op nieren en urinewegen. Een chronische overdruk in de blaas kan immers op lange termijn tot nierinsufficiëntie leiden.
Een cystoscopie
Met een slangetje dat voorzien is van een camera (cystoscoop) wordt de binnenkant van de blaas doorzocht. Als er bloed in de urine zit, kan dit onderzoek een eventuele tumor opsporen.
Een debietmeting
Bij een uroflowmetrie of debietmeting wordt de plasstraal geregistreerd met sensoren. Daarbij worden de volgende elementen gemeten:
- het urinevolume;
- het maximale debiet, wanneer de straal het krachtigst is;
- het gemiddelde debiet en de straalkracht.
Na dit onderzoek wordt er meestal een blaasechografie uitgevoerd om urineresten op te sporen in de blaas. De blaas moet normaal gezien leeg zijn na het plassen. In elk geval moet het residu minder bedragen dan 100 cc.
Urodynamisch onderzoek
Een urodynamisch onderzoek is niet altijd nodig, maar levert toch waardevolle informatie op. Zo bevestigt het de diagnose van een overactieve blaas door de chaotische en willekeurige samentrekkingen van de blaasspier te registreren.
Volg de medische actualiteit en abonneer u op de nieuwsbrieven van MediPedia.
















MediPedia Facebook