Follow-up
- 1. Respons op de behandeling van hiv
- 2. Hiv en kanker
- 3. HIV en hart- en vaataandoeningen
- 4. Hiv en depressie
- 5. Hiv en de nieren
- 6. Lipodystrofie: bijwerking van de tritherapie
- 7. Hiv en cognitieve functiestoornissen

Respons op de behandeling van hiv
Regelmatige controle
Bij een hiv-infectie worden regelmatig controleonderzoeken uitgevoerd om het aantal CD4-cellen en de virale belasting te meten. Deze twee parameters weerspiegelen de respons op de behandeling. Als de behandeling mislukt, zal de arts een nieuwe behandelingslijn uitwerken. Die bestaat uit een nieuwe combinatie van antiretrovirale middelen die worden geselecteerd op grond van resistentietests.
De ontwikkeling van resistentie tegen de behandeling
Als de behandeling niet goed wordt gevolgd, kan de concentratie van het geneesmiddel in het bloed dalen. Daardoor kan het virus zich weer vermenigvuldigen. Het virus kan zo mutaties ontwikkelen en resistent worden tegen één of meer antivirale middelen.
De geneesmiddelen waartegen het virus resistent is geworden, zullen dan definitief niet meer werken en moeten worden vervangen. Resistentie impliceert een vermindering van de doeltreffendheid van de geneesmiddelen, compliceert de latere behandeling en verhoogt de kans op bijwerkingen.
Bijwerkingen van de geneesmiddelen
De geneesmiddelen kunnen bijwerkingen veroorzaken op korte en lange termijn. Op korte termijn kunnen misselijkheid, diarree, vermoeidheid optreden. De bijwerkingen op lange termijn zijn nog niet goed bekend. Maar de behandeling zou bijvoorbeeld het risico op hart- en vaataandoeningen of nierziekten kunnen verhogen. Die risico's zijn echter veel minder ernstig dan de gevaren die een direct gevolg zijn van het virus.
Artikel tot stand gekomen met de medewerking van dr. Jean-Christophe Goffard, hoofd van het aidsreferentiecentrum van het Erasmusziekenhuis
Hiv en kanker
Opportunistische kankergezwellen
Er bestaan drie opportunistischekankergezwellen. Dat zijn gezwellen die te wijten zijn aan de immunodeficiëntie en die getuigen van een evolutie naar het aidsstadium. Die opportunistische kankergezwellen worden veroorzaakt door virussen:
- Kaposisarcoom: kanker die zich uit in rode, purperen en/of zwarte vlekken op de huid.
- Non-hodgkinlymfoom: kanker van de lymfeklieren, die gedurende het hele verloop van de hiv-infectie kan optreden, ongeacht het aantal CD4-cellen.
- Baarmoederhalskanker.
Niet-opportunistische kankergezwellen
Niet-opportunistische kankergezwellen komen steeds vaker voor bij seropositieve patiënten. De levensverwachting van seropositieve patiënten is nu immers bijna normaal geworden. Ze hebben dus de tijd om andere kankergezwellen te ontwikkelen: longkanker, aarskanker... Het risico op niet-opportunistische kankergezwellen zou tweemaal hoger zijn bij de seropositieve bevolking dan bij de niet-geïnfecteerde populatie.
Deze kankergezwellen zijn vaak te wijten aan dezelfde risicofactoren als in de algemene bevolking. Roken is dus vijand nummer één.
Een andere verklaring is dat het immuunsysteem van de slijmvliezen (longen, aars...) toch niet volledig herstelt als de virale belasting in het bloed onmeetbaar laag is geworden. Deze immuniteit beschermt tegen kankerverwekkende agressies en elimineert eventuele kankercellen.
Artikel tot stand gekomen met de medewerking van dr. Jean-Christophe Goffard, hoofd van het aidsreferentiecentrum van het Erasmusziekenhuis
HIV en hart- en vaataandoeningen
Naarmate de levensverwachting van de patiënten toeneemt, verschijnen nieuwe bijwerkingen als gevolg van de tritherapie. Voorbeelden zijn hart- en vaataandoeningen zoals hartinfarct en hersenberoerte (cerebrovasculair accident). Ze zouden te wijten zijn aan een directe toxiciteit van het virus. Patiënten die de behandeling stopzetten, lopen een hoger risico op hart- en vaataandoeningen ongeacht de onderliggende immunodepressie.
Bovendien zouden antiretrovirale middelen het metabolisme (de verwerking) van de lipiden (vetten) verstoren. Daardoor stijgt de cholesterolconcentratie en daarmee ook het risico op hart- en vaataandoeningen.
Artikel tot stand gekomen met de medewerking van dr. Jean-Christophe Goffard, hoofd van het aidsreferentiecentrum van het Erasmusziekenhuis
Hiv en depressie
Een courant probleem bij seropositieven
Een hiv-infectie is een chronische ziekte geworden. Zoals elke chronische ziekte, vormt dat een enorme belasting voor de patiënt: de zware behandelingen, de angst voor een achteruitgang van de gezondheidstoestand, moeilijkheden om intieme relaties aan te knopen...
Seropositieve patiënten zijn dan ook vaak depressief. Bovendien zou de kolonisatie van bepaalde cellen van het centrale zenuwstelsel afwijkingen in de hersenen kunnen veroorzaken die de depressie in de hand werken.
Impact op de behandeling
Een depressie kan uiteraard invloed hebben op de therapietrouw, en dus op de levenskwaliteit en de levensverwachting van de patiënten. Gevoelens van droefheid, moedeloosheid, sombere gedachten moeten dan ook aan de arts worden gemeld. Een depressie is geen onschuldig fenomeen bij hiv-patiënten, maar een echte ziekte, die goed moet worden behandeld.
Artikel tot stand gekomen met de medewerking van dr. Jean-Christophe Goffard, hoofd van het aidsreferentiecentrum van het Erasmusziekenhuis
Hiv en de nieren
Het hiv kan direct toxisch zijn voor de nieren. Het tast de glomeruli aan, de nierfiltertjes. Het bloed wordt niet meer correct gefilterd. Stoffen die toxisch zijn voor de nieren, gaan door de mazen van het net. Gevolg? Een ernstige nierinsufficiëntie en het risico dat dialyse nodig wordt als de hiv-infectie niet tijdig wordt behandeld. Dat fenomeen wordt HIVAN (Human Immunodeficiency Virus Associated Nephropathy) genoemd. Momenteel heeft waarschijnlijk 5 tot 15% van de seropositieven een chronische nierziekte.
Artikel tot stand gekomen met de medewerking van dr. Jean-Christophe Goffard, hoofd van het aidsreferentiecentrum van het Erasmusziekenhuis
Lipodystrofie: bijwerking van de tritherapie
Herverdeling van het vet
Lipodystrofie is een directe bijwerking van de tritherapie, waarbij het vet op een afwijkende manier wordt verdeeld. Resultaat? Sommige delen van het lichaam smelten weg, terwijl andere net dikker worden. Seropositieve patiënten met lipodystrofie kunnen bijvoorbeeld een mager gezicht, een dikke buik en dunne benen hebben. Die onharmonieuze herverdeling heeft een negatieve weerslag op het uiterlijk... en de moraal.
Is lipodystrofie aan het verdwijnen?
De nieuwe antiretrovirale middelen hebben het enorme voordeel dat ze geen lipodystrofie veroorzaken. Toch is het probleem niet volledig verdwenen. Nog steeds moeten artsen soms geneesmiddelen geven die dat probleem veroorzaken, bijvoorbeeld als de andere geneesmiddelen geen resultaat opleveren.
Artikel tot stand gekomen met de medewerking van dr. Jean-Christophe Goffard, hoofd van het aidsreferentiecentrum van het Erasmusziekenhuis
Hiv en cognitieve functiestoornissen
Cognitieve functiestoornissen
Het hiv is een 'neurotroop' virus: het koloniseert het centrale zenuwstelsel (hersenen en ruggenmerg) in een zeer vroeg stadium. Toen er nog geen antiretrovirale middelen bestonden, ontwikkelden de patiënten vaak een vroege dementie, die geleek op de ziekte van Alzheimer.
Het virus kan nog steeds cognitievefunctiestoornissen veroorzaken. Ze zijn veel lichter dan vroeger, maar hebben toch nog een invloed op dagelijkse activiteiten: vergeten, stoornissen van het kortetermijngeheugen, concentratiestoornissen...
Hoe kunnen we de diagnose stellen?
Het kan erg moeilijk zijn een diagnose te stellen van stoornissen van de cognitieve functies als gevolg van een hiv-infectie. Het bestaan van symptomen volstaat niet om met zekerheid te stellen dat er dergelijke stoornissen zijn. Er moeten dus aanvullende onderzoeken worden uitgevoerd om een zekerheidsdiagnose te stellen: een ruggenmergpunctie om het virus in het centrale zenuwstelsel op te sporen, een MRI (beeldvorming door kernspintomografie) van de hersenen, tests van de cognitieve functies... Deze tests worden uitgevoerd door gespecialiseerde psychologen. Daarbij worden bijvoorbeeld het geheugen en het vermogen tot planning en organisatie getest.
Artikel tot stand gekomen met de medewerking van dr. Jean-Christophe Goffard, hoofd van het aidsreferentiecentrum van het Erasmusziekenhuis
Volg de medische actualiteit en abonneer u op de nieuwsbrieven van MediPedia.























MediPedia Facebook